In Control

De titel van deze blog zegt niets over mijn huidige status. Integendeel zou ik haast zeggen. Het is de titel van het laatste boek van Thijs Homan, hoogleraar Implementation and Change Management bij de Open Universiteit Nederland. Naar mijn mening opnieuw een meesterwerk! Klik hier voor zijn introductie.
Hij wenst de lezer veel verwarring toe. Welnu: dat is hem gelukt.

‘In Control’ gaat primair over de vraag hoe het toch kan dat de bureaucratie (afvinklijstjes, formulieren, protocollen, procedures, POP, school-, team-, jaar- en vakwerkplan, lerarenregister, audits) eerder toe dan af (b)lijkt te nemen. Dit weekend werd bekend dat een zorgprofessional 40% van zijn/haar werktijd besteedt aan administratie. Vergelijkbare signalen komen uit het (met name basis) onderwijs. Zijn we slachtoffer van de bureaucratie? Of zijn we er misschien aan verslaafd?

Diverse schrijvers geven aan dat de bureaucratie (‘old way’) haar langste tijd heeft gehad en komen met hun oplossing (‘new way’). Ik heb met genoegen ‘Verdraaide Organisaties’ van Wouter Hart en ‘Verandering van tijdperk’ van Jan Rotmans gelezen. Beide boeken gaven mij het gevoel ‘Het Probleem’ en ‘De Oplossing’ (terug naar de bedoeling en transities/kantelingen) hiervoor te begrijpen. Toch blijft er iets knagen. Alsof je na een goede preek op zondag weer gewoon overgaat tot de orde van de dag: er is niets veranderd.

Thijs Homan zet ‘In Control’ alle ontwikkelingen die hij ziet (hoort en leest) op een rij. Dat geeft je een breed en vooral genuanceerd overzicht. Het gaat veel te ver hier in deze blog een samenvatting te geven. Ervaar het zelf en lees ‘In Control’.
Thijs Homan formuleert zijn conclusie erg voorzichtig: “Al met al denk ik dus dat we wel in een tussenfase zitten, maar daarbij bevinden we ons nog wel in een vroeg beginstadium ervan“.

Thijs Homan gebruikt veel beelden en beeldtaal. Dat helpt mij om de dingen een plekje te geven. Dat geldt vooral voor het beeld van het ‘aantrekkingsbassin’. In een landschap (dat voortdurend aan verandering onderhevig is) vormen zich meerdere bergen en dalen. Zo’n dal kan diep en uitgebreid zijn, waardoor het lastig is hieraan te ontsnappen. Zonder het nu te typeren als zwart gat: er gaat veel energie inzitten en eruit klimmen (richting een andere aantrekker) kost je grote moeite. Veranderen betekent dan dus: de schop oppakken en her en der bassins dempen, geultjes graven en andere bassins uitdiepen. ‘In Control’ leert je dat dit geen gecoördineerde actie is, maar meer een geval is van ieder voor zich (multicentrisch). Daarbij ontstaat (vaak door toeval) samenwerking die soms resulteert in een tipping point. Een hoog Klooi gehalte dus.

datavisualisatie

In Atheneum 5 heb ik bij mijn vak informatica het onderwerp Big Data behandeld. Daarbij kwam ook data-analyse en -visualisatie aan de orde. Bij de praktische opdracht was er ruimte voor werken met Tableau. Zelf had ik daar even aan geroken. Ik was benieuwd wat de leerlingen hiermee konden doen in drie lessen.

Het gemak waarmee ze hun weg vonden en ook hun resultaten hebben mij verrast. Het eindresultaat van één groep wil ik – met hun toestemming – delen. Op basis van open data betreffende de verkiezingen heeft deze groep de percentages van de christelijke partijen in kaart gebracht en een analysemogelijkheid aan toegevoegd. Chapeau!
Mijn collega maatschappijleer zag meteen de mogelijkheid de Biblebelt in beeld te brengen.

Tableau Public is vrij beschikbaar. Op basis van deze ervaring vraag ik de (eveneens gratis) educatieve = uitgebreide versie aan.

The Inevitable

Op mijn ToDo-lijstje voor deze meivakantie stond het uitlezen van het boek ‘The Inevitable’ van Kevin Kelly. Inevitable kan je vertalen als onvermijdelijk, onafwendbaar of onontkoombaar. De subtitel luidt: “understanding the 12 technological forces that will shape our future”. Op basis van zijn ruime kennis en ervaring schetst Kevin Kelly een beeld van de ontwikkelingen die volgens hem een rol spelen bij het vormen van onze toekomst. Dat doet hij in de vorm van 12 werkwoorden. Hij schetst geen concreet toekomstbeeld, maar zijn beeld van de weg ernaartoe (alleen als je achterom kijkt, zie je het pad). De 12 werkwoorden vormen als het ware 12 rijstroken van deze snelweg. De belijning is niet altijd even duidelijk, omdat begrippen als stromen, delen, filteren en remixen deels afhankelijk van elkaar zijn, elkaar overlappen en versterken.

Nu zou ik hier mijn eigen samenvatting kunnen geven, maar er zijn anderen (NOBB Veghel) die dat (veel) beter doen en ook nog eens de verbinding maken met boeken over dezelfde tijdsgeest, onafhankelijk van elkaar geschreven. Ik houd het dus bij delen.

Volgens Kevin Kelly staan we nog maar aan het Begin (the Beginning). Op weg naar de ‘holos‘: “the collective intelligence of all humans, combined with the collective behavior of all machines, plus the intelligence of nature, plus whatever behavior emerges from the whole”. (p 292)

Dit boek bevestigt wat Jan Rotmans beweert: er is sprake van een verandering van tijdperk. We bewegen ons op een kantelpunt (‘edge of chaos‘). Fasten your seatbelts! Ik rijd mee.

Zijn verhaal op Youtube en de 12 ‘rijstroken’.

I&I 2017: terugblik

Nu ik weer ‘voor de klas’ sta als docent informatica, voelde ik het als een verplichting de I&I conferentie op 19 april 2017 bij te wonen. Een korte terugblik.

Aad van der Drift deed de aftrap, waarbij hij stilstond bij het overlijden van René Franquinet en het (groeiende) tekort aan informatica docenten in het VO. Daarna introduceerde hij de keynote spreker Miles Berry. Zijn presentatie op YouTube. Computational Thinking / Digitale Geletterdheid is hot. In het Verenigd Koninkrijk lopen ze duidelijk voor op ons. Mooi vond ik de term ‘tinkering‘, die aardig in de buurt komt van ‘klooien‘.

Na de keynote heb ik de workshop ‘Scenario’s voor ontwikkeling en invoering van een leerplan voor digitale geletterdheid in de bovenbouw’ van Jos Tolboom en Victor Schmidt (SLO) bijgewoond. Aan de hand van een concreet voorbeeld (fietsroute) met meerdere aanknopingspunten voor digitale vaardigheden bij verschillende vakken ontspon zich een boeiend gesprek. Daarbij kwamen de thema’s scheiding tussen de vakken (in de terminologie van Thijs Homan: losgekoppeld i.p.v. losjes gekoppeld) en de ICT vaardigheden van docenten (maar ook de leerlingen) naar boven drijven. Er vond een stevig potje betekenissenbridge plaats.

Tijdens de lunch was er ruim de gelegenheid om te netwerken. Na de lunch heb ik de workshop ‘Individuele keuzes en groepsgedrag (Kunstmatige Intelligentie)’ van Harmen de Weerd gevolgd. Met behulp van Netlogo (bij het zien van de onderliggende code van één van de simulaties kreeg ik een ‘flashback’ naar het besturen van een schildpad met Logo: afbeelding links) liet Harmen zien dat individueel gedrag op basis van een klein aantal eenvoudige regels ‘intellectueel’ gedrag van een groep tot gevolg (b)lijkt te hebben. Inmiddels heb ik het programma Netlogo door onze ICT afdeling binnen ons schoolnetwerk laten installeren, want ik zie hiervoor zeker toepassingsmogelijkheden bij de informatica lessen.

De afdronk: goede opzet, leerzaam (ik kon zomaar 4 matches maken met de criteria geformuleerd in mijn vorige blog ‘Lerende leraren‘) en voldoende mogelijkheden tot ‘ideeënsex’, ‘mentaal fierljeppen’, ‘betekenissenbridge’ en vormen van ‘weak-ties’ (om maar eens een paar Homan beeldwoorden te gebruiken). Kortom: geslaagd!

 

Lerende leraren

Als zijinstromer kijk ik vanuit een ander perspectief naar mijn (werk)omgeving dan menig collega met tig jaren ervaring. Soms met verwondering, die ik als volgt in een paradox heb geformuleerd: “hoe is het mogelijk dat in een organisatie waar leren het primaire proces is, degenen die dat faciliteren (de leraren) dat gedrag zelf zo weinig vertonen?”

Via mijn LinkedIn netwerk werd ik op een lezing (op fietsafstand) van Klaas van Veen geattendeerd met onderstaande omschrijving:
Scholen zijn organisaties waarin leerlingen leren. Een omgeving waarin leerlingen alleen en samen met anderen leren lezen, rekenen, of een diploma behalen of zich voor te bereiden op een beroep.
Maar zijn scholen ook een omgeving waar docenten kunnen leren? Deze vraag is actueler dan ooit, daar van leraren wordt verwacht dat zij aan hun eigen ontwikkeling werken.
Maar hoe kunnen organisaties een omgeving inrichten waarin het leren van docenten net zo normaal is als het leren van leerlingen?
Prof. Dr. K. (Klaas) van Veen, zal in een lezing ingaan op bovenstaande vragen door te kijken wat onderzoek hierover zegt en met name hoe dit leren door leraren effectief kan plaatsvinden en optimaal worden georganiseerd. Zijn algemene stelling is dat scholen slecht zijn ingericht op het leren van docenten en dat ze er daarom maar beter niet aan kunnen beginnen, tenzij…

Mijn belangstelling werd hierdoor gewekt en ik heb zijn lezing vorige week bijgewoond. Het was een interessant verhaal waardoor ik nu veel genuanceerder tegen de door mij geformuleerde paradox aankijk. Ik geef een (zeer) korte samenvatting van de door Klaas genoemde bevindingen.
Leren van leraren blijkt het meest effectief als:

  • de inhoud (‘leerstof’) les gerelateerd en direct toepasbaar is,
  • de leraren zelf actief en onderzoekend kunnen leren,
  • de leraren gezamenlijk kunnen leren,
  • er voldoende tijd en ruimte voor beschikbaar is,
  • er sprake is van samenhang met het beleid,
  • het tevens gericht is op het leren van de leerlingen.

Nu heb ik dit schooljaar een aantal verschillende trainingen gevolgd, waarvan het leerrendement voor mij nihil was. Als ik daarop terugkijk, kost het mij moeite twee (laat staan meer) matches te vinden met bovenstaande criteria. Klaas heeft veel onderzoek gedaan naar onder andere de professionele ontwikkeling van leraren, waarvan ik inmiddels deze publicatie uit 2010 heb gelezen. Misschien moet ik mijn paradox als volgt herformuleren: “hoe is het mogelijk dat, nu de randvoorwaarden voor professionele ontwikkeling van leraren bekend zijn, deze nauwelijks worden ingevuld door het management?”

Deze blog draag ik op aan mijn vader, onderwijsman in hart en nieren. Hij zou vandaag 90 geworden zijn.

Klooien

In de taal van mijn wortels, het Achterhoeks, zeggen ze het als volgt: “wi-j knooit moar vedan”. In het Fries: “it bliuwt pielen”.
Martijn Aslander benadrukt het belang van prutsen of klooien. Het is een belangrijke voorwaarde voor leren en ontwikkeling.

Deze week wees een leerlinge (dank je Amber) tijdens een les over ‘Big Data’ mij op Tumblr. Had ik nog nooit van gehoord. Nu was ik in Magister aan het prutsen met een studiewijzer om mogelijke onderwerpen voor een profielwerkstuk (PWS) voor mijn vak informatica op een rij te zetten. Dat resulteerde in een verzameling tekst met hyperlinks. Niet echt uitnodigend voor leerlingen om zich te oriënteren op een mogelijk onderwerp.

Na wat grasduinen in Tumblr (bekijk vooral ‘wat is Tumblr?’) dacht ik: “als ik dat nu eens gebruik voor het PWS verhaal”. Een avondje experimenteren (mijn vrouw vindt klooien negatief en plat klinken, dus gebruik ik dit nu maar als synoniem) leverde het volgende resultaat op:
https://vwo5-informatica-pws.tumblr.com/
Grootste voordeel vind ik dat dit visueel veel aantrekkelijker is dan de studiewijzer. Verder is het open, waardoor ook leerlingen van andere scholen hier inspiratie op kunnen doen.

Dood paard

Stel je beschikt als medewerker over de volgende competenties:

  • Doet (ook ongevraagd) voorstellen tot verbetering, verandering of vernieuwing
  • Doorbreekt bestaande denkkaders, denkt ‘out of the box’
  • Combineert bestaande benaderingen tot nieuwe oplossingen
  • Doet onderzoek om tot meerdere nieuwe oplossingen of benaderingen voor een vraagstuk te komen
  • Hanteert bij vraagstukken nieuwe invalshoeken
  • Heeft meerdere ideeën bij het oplossen van vraagstukken
  • Bedenkt nieuwe toepassingen
  • Blijft werken aan het bereiken van een gesteld doel, ook als het langere tijd duurt
  • Blijft zoeken naar andere wegen en komt niet snel met “het kan niet”

Een mooie lijst waar menig leidinggevende enthousiast van zal worden. Zoals alles, horen bij deze sterke punten ook valkuilen die naar mijn mening prachtig verbeeld wordt in ‘de theorie van het dode paard’:

dood-paard

klik op de afbeelding om hem te vergroten

Ik verwacht dat bij iedereen nu wel beelden naar boven komen waarin je bovenstaande herkent. Dit zal men niet voor ogen hebben gehad bij bovengenoemde competenties. Zoals eerder door mij aangegeven: bij competenties hoort een context! Zonder context is een competentie een voorbeeld van één van de bekendste (Zen) koans: ‘Wat is het geluid van één klappende hand“?

mindshift

denkraamVia de blog ‘Mindshifting: (hoe) kunnen we mindsets veranderen?‘ van Wilfred Rubens werd ik geattendeerd op de afscheidsrede van Robert Jan Simons. Het volledige artikel is te downloaden via zijn site visieopleren.nl onder publicaties. Aan de hand van een aantal metaforen (onder andere geloof in Sinterklaas en roeien in Vietnam) vormt hij beelden van het begrip mindset (ik heb daarvoor al eerder de term ‘denkraam‘ gebruikt).

Robert Jan Simons definieert mindset als: “Een aantal samenhangende, meestal impliciete, voor henzelf vanzelfsprekende, assumpties, opvattingen en kennisonderdelen, van individuen of groepen, vaak rondom een kernidee, basisassumptie, die het gedrag van deze mensen blijvend bepalen”. Naast de individuele mindshift  behandelt hij ook de collectieve mindshift. Ik zie daarin overeenkomsten met de lokale en collectieve betekeniswolken die Thijs Homan beschrijft.

In zijn publicatie gaat Robert Jan Simons nader in op mindsets ten aanzien van nieuwsgierigheid, leren en het geven van feedback door leraren. Hij komt met een stappenplan waarin – afhankelijk van de fase van leren – mogelijke interventies zijn opgenomen. Voor het tot stand komen van een mindshift zijn anderen nodig. Daarin zie ik weer een parallel met Homans ‘eilandhoppen’ en ‘ideeënsex’: “Het ontwikkelen van nieuwe beelden is deels een individueel proces, maar zeker ook een interactioneel proces”.

In veel verandertrajecten wordt (nog) te weinig rekening gehouden met verschillen in individuele en collectieve mindsets. Robert Jan Simons stelt in zijn conclusie dat meer onderzoek nodig is naar het hoe van het veranderen van een mindset. Hij geeft aan het merkwaardig te vinden dat hiernaar nog zo weinig onderzoek is gedaan. Dit is in lijn met de bevindingen van Thijs Homan: “Er kunnen nieuwe options for action emergeren, maar of die nieuwe options for action ook daadwerkelijk tot concrete en voorspelbare successen zullen leiden is niet bekend”.

Het artikel van Robert Jan Simons heeft mijn beperkte denkraam (mindset) ten aanzien van leren en veranderen bekrachtigd. In het kader van dit onderwerp kan je stellen dat hier sprake is van een paradox: het heeft mijn mindset versterkt, waardoor een mindshift minder waarschijnlijk is.

et-cetera principe

SchakenIk heb het boek ‘het et-cetera principe’ van Thijs Homan uitgelezen. Het is onmogelijk om in een paar zinnen aan te geven wat de kern is van zijn verhaal of wat het et-cetera principe inhoudt. Ik zie wel enige overeenkomsten met ‘het 65e veld‘, waarbij de 64 velden dan het speelveld van de manager voorstelt. Wil je toch een indruk krijgen, bekijk dan de elevatorpitch van Thijs zelf. Voor mij was het vooral een feest van herkenning. Herkenning van hetgeen ik om mij heen zag en zie gebeuren in mijn vorige en huidige werk en omgeving. Mijn twijfel over de maakbaarheid van organisaties en dingen die daarbinnen (en –buiten) gebeuren wordt vet en dubbel onderstreept.

Het beeldende taalgebruik van Thijs Homan past goed bij mijn denken, lezen en vertolken in beelden. Termen als petrischaaltjes, zwakke en sterke verbindingen, eilandhoppen, ideeënsex, game en play, betekeniswolken, tafelkleedjes, bassin, tekstweb, polycentrisch, -vocaal en –valent helpen mij zijn uitgebreide theorie te begrijpen. Of beter gezegd: mijn lokale betekeniswolk aan te vullen en op te schudden.

Het et-cetera principe biedt mij handvatten beter te begrijpen wat er gebeurt in de organisaties waar ik met enige regelmaat een kijkje in de keuken mag nemen. In tegenstelling tot veel management- en veranderliteratuur komt Thijs Homan niet met een recept voor dé oplossing. Een deel van een oplossing ligt in het actief zoeken van verbinding en het aangaan van de dialoog (zonder dat daarbij iets voorspeld kan worden over het resultaat daarvan): van Etwas naar Etwas.

Ik vind het boek een absolute aanrader. Lezen dus! Laat het et-cetera principe een verstoring zijn van je huidige lokale betekeniswolk ten aanzien van managen, leidinggeven, visie, missie, strategie, kpi’s, planning, organisatiestructuur en veranderkunde. Ten aanzien van dit alles past slechts – om in Homans eigen woorden te spreken waarmee hij zijn boek afsluit – gepassioneerde nederigheid.

Boek: Onderwijs met ICT

Vrijdag 1 november 2013 heeft op Hogeschool Windesheim de officiële presentatie van het boek ‘Onderwijs met ICT’, waaraan ik een bijdrage heb geleverd in de vorm van een hoofdstuk over het leerlingvolgsysteem, plaatsgevonden. Op de foto de aanwezige auteurs.

Aike van der Hoeff, Jan Cees Rutgers, Erik Bolhuis, Frank Thuss, Manon Bonefaas, Pauline Maas, Remco Pijpers, Justine Pardoen

Aike van der Hoeff, Jan Cees Rutgers, Erik Bolhuis, Frank Thuss, Manon Bonefaas, Pauline Maas, Remco Pijpers, Justine Pardoen (met dank aan Annet Akker)

De zaal was goed gevuld. Naast het officiële deel waren er presentaties van Frans Thuss en Alfons ten Brummelhuis. Frank lichtte in zijn presentatie het verschil toe tussen ´leren met een mobiel device´ en ´mobiel leren´.

Alfons deed de stellige uitspraak dat het onderwijs 20 jaar heeft gewacht op dit boek. Hij positioneerde ons boek als verbinding tussen de ‘oude’ en nieuwe situatie. In de nieuwe situatie (in mijn vrije interpretatie: na de uitgave van dit boek) kan en mag vrijblijvendheid volgens hem geen rol meer spelen. Gebruik van ICT in het onderwijs is noodzaak. Docenten moeten als professional competenties beheersen om te beoordelen wat werkt in welke situatie. Het boek sluit nauw aan bij de ‘kennisbasis ICT’. Alfons belichtte in zijn presentatie ook waarom de inzet van ICT in het onderwijs zo moeizaam verloopt aan de hand van bekende voorbeelden: ‘chasm’ (zie ook mijn blogje ‘tipping point’) en ‘olievlek werking’. Het boek biedt een handreiking voor de docent in opleiding, maar is zeker ook te gebruiken voor en door docenten die werkzaam zijn in het Voortgezet Onderwijs.

Wat vinden anderen van ons boek? Er zijn inmiddels twee recenties gepubliceerd:

Ik kijk terug op een boeiende en leerzame periode van 2 jaar die voorafging aan de uiteindelijke uitgave van ons boek. Het was een zoektocht langs (onderwijs)visie, kaders, doelgroepen en uitgangspunten binnen een team van mensen van verschillende achtergronden. Wat ons bindt is de passie voor onderwijs en ICT. De kunst was vooral: weglaten, waarbij de verbinding overeind moest blijven. Als je de recensenten mag geloven, zijn we daarin geslaagd.

Onderwijs en vooral ICT zijn altijd in beweging. Een boek schiet tekort als middel om die beweging te volgen. Er komt daarom een site waarin de aanvullingen op het boek worden opgenomen. Ik kan het boek dus nog niet dichtslaan.