Disrupting class: 10

In dit laatste hoofdstuk ‘Conclusion’ geeft Clayton een samenvatting. Pogingen het onderwijssysteem te veranderen hebben tot op heden gefaald. Ook de hoge verwachting van de introductie van computers hebben niet het gewenste effect gehad. Hoe komt dat? Moeten we onze pogingen staken? Waarom zou het nu anders zijn?
Volgens Clayton is dit niet het moment om te stoppen, omdat:

De meeste pogingen tot hervormingen hebben de oorzaken van de leerproblemen niet als uitgangspunt gehanteerd. Ook is onvoldoende rekening gehouden met de wijze waarop de huidige systemen functioneren en hoe veranderingen daarbinnen moeten worden geïnitieerd. De huidige kennis (lees zijn theorie) biedt de mogelijkheid hierin forse stappen te zetten.

Hervormers hebben – vaak met een frontale aanval – getracht het bestaande systeem te veranderen. Onderzoeken naar disruptive innovation tonen aan dat dit niet werkt.

Wij onderschrijven dat leerlingen op verschillende wijzen leren. Het huidige monolytische systeem waarin leerlingen op hetzelfde moment dezelfde leerstof op dezelfde wijze wordt aangeboden, maakt dit onmogelijk. Er moet een modulair systeem komen.

De huidige techniek maakt het mogelijk modules aan te bieden die aansluiten bij verschillende leerstijlen en kunnen worden gedeeld via een online gebruikersnetwerk.

Er zijn verschillende actoren met elk een eigen belang en visie op onderwijs. Clayton geeft aan welke bijdrage elke groep aan de veranderingen kan leveren:
Bestuurders en schoolleiding. In een omgeving waar er weinig overeenstemming is over het ‘wat’ en nog minder over het ‘hoe’ werkt onderhandelen niet. Gebruik van macht en afscheiding zijn de enige middelen die helpen. Dat zal niet eenvoudig zijn voor leiders die gericht en opgeleid zijn op het verkrijgen van consensus. Bij een financiële crisis en/of problemen met het aantrekken van (bekwaam) personeel, moet de oplossing niet worden gezocht in reducties binnen het bestaande systeem, maar in het faciliteren van disruption. Bijvoorbeeld door het aanstellen van een docent met als enige opdracht online modules (of cursussen) beschikbaar te stellen. Deze docent mag dan geen andere verantwoordelijkheden of lesgevende taken meer hebben. De leerlingen moeten vrije toegang tot het online materiaal krijgen.

Financierders. Er zijn enorme bedragen gespendeerd aan verbeteringen en vernieuwingen, waarvan de innovatietheorie had kunnen voorspellen dat dit weinig impact zou hebben. Voorbeelden zijn: computers binnen het huidige onderwijsconcept, software die uitgaat van een dominante leerstijl, prestatiebeloning voor docenten en beschijvend onderzoek. Als een verandering tracht de bestaande architectuur te verbeteren, sponsor deze dan niet! Financier onderzoek naar verschillende leerstijlen, hoe leerlingen leren en hoe ze daarbij ondersteund kunnen worden.

Ondernemers. Ontwikkel technologie waarmee kinderen zelf instrumenten om te leren kunnen ontwikkelen en delen.

Lerarenopleiding. Het opleiden van docenten die opereren in een monolytische, docent-gerichte omgeving waar de kerncompetenties het vasthouden van aandacht en het doceren van onderwerpen aan één dominante leerstijl zijn, is opleiden voor het verleden. Toekomstige leraren moeten kunnen omgaan met verschillende leerstijlen, een leerlinggerichte benadering, software voor de ondersteuning van het leren en de gebruikersnetwerken.

Onderzoekers. Deze moeten verder gaan dan beschrijvend onderzoek en de omstandigheden waaronder een individuele leerling tot leren komt beschrijven.

Docenten, ouders en leerlingen. Als er geen leerstof / module / curriculum beschikbaar is, moet deze online worden gezocht. Indien een leerling moeite heeft met een bepaald concept, moet in het gebruikersnetwerk een tutor of hulpmiddel worden gezocht. Als dit niet wordt gevonden, moet dit zelf worden gemaakt en gedeeld.

Deze technologische en organisatorische veranderingen zijn geen bedreigingen, maar opwindende mogelijkheden. Ze kunnen onze scholen transformeren van politieke en economische machtsblokken tot bronnen van oplossingen en kracht.

Disrupting class: 2

Na een aantal maanden Disrupting Class weer uit de boekenkast gepakt en verdere invulling gegeven aan mijn voornemen het samen te vatten. Hier vind je de samenvatting van hoofdstuk 1.

De titel van het tweede hoofdstuk is “making the shift: schools meet society’s needs”. In tegenstelling tot de algemene perceptie hebben scholen zich, net als andere organisaties, in de loop der tijd aangepast aan de eisen die de omgeving stelt.

Christensen heeft de theorie van ‘disruptive innovation’ opgesteld. Volgens deze theorie zijn er twee verschillende verandertrajecten: ‘sustaining innovation’ (evolutie). Daarbij gaat het om de verbetering van bestaande producten, bijvoorbeeld stillere vliegtuigen, snellere PC’s, plattere tv’s. Zelf noem ik dit ‘-er ontwikkelingen’ (beter, goedkoper, efficiënter, sneller, etc.).

‘Disruptive innovation’ (door Wilfred Rubens vertaald als ontwrichtende innovatie). Dit is niet hetzelfde als een baanbrekende verbetering. Kenmerkend is dat het product niet is bestemd voor bestaande, maar voor nieuwe klanten. Vaak zijn de producten (relatief) goedkoop en eenvoudig in gebruik. Het klassieke voorbeeld is de PC. De computermarkt werd beheerst door firma’s als DEC en IBM. Mainframe en microcumputers stonden in een rekencentrum en werden beheerst door specialisten. Deze bedrijven investeerden vooral is sustaining innovation.
De PC was niet bestemd voor de bestaande klanten van DEC en IBM. Na de (disrupting) introductie van de PC werd deze kleiner, sneller en eenvoudiger in gebruik (op zich weer sustaining innovation). Uiteindelijk leidde dit tot het verdwijnen van DEC.

Op een manier die vergelijkbaar is met een disruption in de private sector, verandert de maatschappij de eisen die zij aan het onderwijs stelt. Deze verbetering/verandering moet telkens plaatsvinden binnen de bestaande organisatie. Clayton onderbouwt dit met voorbeelden uit de geschiedenis van de VS:

In de beginfase van de VS volgden de meeste kinderen geen onderwijs. Mensen als Thomas Jefferson zagen onderwijs als middel om burgers te laten participeren in de democratie. Daarnaast zou een elitegroep opgeleid moeten worden die als leiders konden fungeren met als doel de democratie te behouden. Hiermee werd het fundament gelegd voor basisonderwijs. Midden 1800 hadden de meeste scholen slechts één lokaal en volgde een elitegroep leerlingen voortgezet onderwijs.

In het begin van de 20e eeuw ondervond men veel concurrentie van het zich in industrieel opzicht snel ontwikkelende Duitsland. Het onderwijs kreeg er een doelstelling bij: vakmensen leveren voor industriële functies. Om dit te realiseren, moest er voortgezet onderwijs voor iedereen worden opgezet dat de leerlingen voorbereidde op verschillende rollen. De leerlingen hadden verschillende achtergronden, doelen en interesses. Het curriculum werd als antwoord hierop sterk uitgebreid.
Rond 1950 hadden twee gebeurtenissen grote impact op het onderwijs:
In 1954 besloot het Supreme Court dat scholen de rassenscheiding moesten opheffen. Hiermee kwamen de ongelijke kansen voor niet-blanken, vrouwen, armen en immigranten aan het licht. Scholen reageerden hierop door hun deuren verder te openen en hun onderwijsaanbod te vergroten.
In 1957 werd de Sputnik gelanceerd. Dit was ‘het bewijs’ dat de Sovjet Unie de VS voorbij was gestreefd. Dit zou het gevolg zijn van een ‘crisis in het onderwijs’. Er moest meer aandacht komen voor science en wiskunde.
Het onderwijs paste zich ook hierop aan door de ‘grenspaaltjes’ te verzetten.

De periode hierna was relatief welvarend. Bij de opvoeding hoorde het aanbieden van verrijkende ervaringen. Het onderwijs bood als reactie daarop kunst, muziek, een groter sportaanbod, Chinees en Japans aan. Het aanbod en de diversiteit van schoolkoren en -bandjes werd groter. Het onderwijs werd hierdoor complexer en duurder.

Opnieuw verplaatst de maatschappij de grenspalen. Amerika verliest terrein op industrieel gebied aan met name Japan. Het onderwijs krijgt als taak de concurrentiepositie te versterken. Er kwamen standaard testen waardoor het onderwijs kon worden vergeleken met dat in andere landen. Het onderwijs kreeg als opdracht de (gemiddelde) scores op deze testen te verhogen.

In 1983 verscheen het rapport ‘a nation at risk’. Hierin wordt onder andere gesteld dat het onderwijs (te) gefragmenteerd is, de studenten teveel keuze hebben en daardoor elementaire zaken te weinig aandacht krijgen. Wat daarvoor gezien werd als zegen, was nu een vloek.

De industrie zou op een dergelijke verandering reageren met een ‘disruptive innovation’. Dell en Compaq overtroffen DEC met de introductie van de PC. In het onderwijs is zoiets vrijwel onmogelijk, omdat er geen nonconsumers zijn. De vernieuwing moet dus plaatsvinden binnen de bestaande organisaties.

Het programma ‘no child left behind’ verplaatst opnieuw de grenspalen. Elk kind moet een plekje binnen het onderwijs hebben en zich kunnen ontwikkelen. Dit moet de armoede verkleinen. Het onderwijs heeft zo vier verschillende opdrachten:

Bron: disrupting class, making the shift: schools meet society needs

Disrupting Class: 1

De titel van hoofdstuk 1 is “Why schools struggle to teach differently when each student learns differently”.
Intuïtief en uit eigen ervaring weten we dat we op verschillende wijze leren. Er zijn verschillen in leerstijl, aanpak en tempo. De cognitieve psychologie en neurowetenschap bevestigen dat we op verschillende wijze leren, maar het is onduidelijk waardoor die verschillen worden veroorzaakt. Clayton gaat uit van de bewering: mensen leren op verschillende manieren.

De ‘oude’ definitie van intelligentie, uitgedrukt in een cijfer (IQ) is te beperkt. Howard Gardner definieert intelligente als de bekwaamheid problemen op te lossen of iets bestaands aan te passen aan veranderende omstandigheden. Hij onderscheidt acht intelligenties. Voor de opsomming hiervan (en een hele set aan toepassingen) verwijs ik naar webje. Als de vorm van onderwijs aansluit bij je intelligentie, wordt de intrinsieke motivatie bevorderd. De meervoudige intelligenties vormen één dimensie van leren. De verschillende leerstijlen een tweede. Het leertempo vormt de derde dimensie.

Gegeven deze verschillen zou je verwachten dat het onderwijs hierop is ingericht. Clayton stelt de vraag waarom scholen hun manier van onderwijzen en testen hebben gestandaardiseerd. Om deze vraag te beantwoorden maakt hij de vergelijking met productontwikkeling. Er bestaat veel onderlinge afhankelijkheid bij de ontwikkeling van producten. Denk bijvoorbeeld aan de lamp in relatie met de fitting of de componenten van een PC. Dankzij standaardisatie kan een fabrikant zich richten op de verdere ontwikkeling van zijn product.

Clayton trekt dit door naar het onderwijs: instructie en testen zijn gestandaardiseerd. Maatwerk binnen onderling afhankelijke systemen is duur. Daarom delen we leerlingen in in leeftijdsgroepen en niveau en gebruiken we standaard leermateriaal. Dit is geïnspireerd door het efficiënte industriële systeem.
Hij stelt de vraag of het mogelijk is om binnen dit (industriële) geünificeerde model aan te sluiten bij de verschillen tussen leerlingen. Er zijn (in de VS) een aantal exprimenten op kleine schaal. Deze zijn niet zonder problemen.

Als verklaring voor die problemen gebruikt Clayton de metafoor van de omgekeerde magnetische aantrekking: gelijke polen trekken elkaar aan. Bij doelt hierbij op de doceer- en leerstijlen. Het is een vicieuze cirkel. Leerlingen worden het meest aangesproken door de docent en de leerstof die het best bij hun leren past. Deze leerlingen blinken uit en de kans is groot dat zij weer docent worden.
Samengevat: het huidige onderwijssysteem, de manier waarop docenten worden getraind, homogene groepen leerlingen worden gevomd, het curriculum is vormgegeven en de bouw en inrichting van de schoolgebouwen is gebaseerd op standaardisatie.

Clayton stelt dat dit onderwijssysteem aan de ene kant van het spectrum zit. Aan de andere kant zit het volledig leerling-gerichte. Volgens hem kan de inzet van ICT bij leren een verschuiving binnen het spectrum veroorzaken. Over deze verschuiving gaat hoofdstuk 2.