Boek: Onderwijs met ICT

Vrijdag 1 november 2013 heeft op Hogeschool Windesheim de officiële presentatie van het boek ‘Onderwijs met ICT’, waaraan ik een bijdrage heb geleverd in de vorm van een hoofdstuk over het leerlingvolgsysteem, plaatsgevonden. Op de foto de aanwezige auteurs.

Aike van der Hoeff, Jan Cees Rutgers, Erik Bolhuis, Frank Thuss, Manon Bonefaas, Pauline Maas, Remco Pijpers, Justine Pardoen

Aike van der Hoeff, Jan Cees Rutgers, Erik Bolhuis, Frank Thuss, Manon Bonefaas, Pauline Maas, Remco Pijpers, Justine Pardoen (met dank aan Annet Akker)

De zaal was goed gevuld. Naast het officiële deel waren er presentaties van Frans Thuss en Alfons ten Brummelhuis. Frank lichtte in zijn presentatie het verschil toe tussen ´leren met een mobiel device´ en ´mobiel leren´.

Alfons deed de stellige uitspraak dat het onderwijs 20 jaar heeft gewacht op dit boek. Hij positioneerde ons boek als verbinding tussen de ‘oude’ en nieuwe situatie. In de nieuwe situatie (in mijn vrije interpretatie: na de uitgave van dit boek) kan en mag vrijblijvendheid volgens hem geen rol meer spelen. Gebruik van ICT in het onderwijs is noodzaak. Docenten moeten als professional competenties beheersen om te beoordelen wat werkt in welke situatie. Het boek sluit nauw aan bij de ‘kennisbasis ICT’. Alfons belichtte in zijn presentatie ook waarom de inzet van ICT in het onderwijs zo moeizaam verloopt aan de hand van bekende voorbeelden: ‘chasm’ (zie ook mijn blogje ‘tipping point’) en ‘olievlek werking’. Het boek biedt een handreiking voor de docent in opleiding, maar is zeker ook te gebruiken voor en door docenten die werkzaam zijn in het Voortgezet Onderwijs.

Wat vinden anderen van ons boek? Er zijn inmiddels twee recenties gepubliceerd:

Ik kijk terug op een boeiende en leerzame periode van 2 jaar die voorafging aan de uiteindelijke uitgave van ons boek. Het was een zoektocht langs (onderwijs)visie, kaders, doelgroepen en uitgangspunten binnen een team van mensen van verschillende achtergronden. Wat ons bindt is de passie voor onderwijs en ICT. De kunst was vooral: weglaten, waarbij de verbinding overeind moest blijven. Als je de recensenten mag geloven, zijn we daarin geslaagd.

Onderwijs en vooral ICT zijn altijd in beweging. Een boek schiet tekort als middel om die beweging te volgen. Er komt daarom een site waarin de aanvullingen op het boek worden opgenomen. Ik kan het boek dus nog niet dichtslaan.

Tipping Point

Al zolang ik werkzaam ben op het raakvlak ICT en onderwijs, breek ik mijn hoofd over hoe het toch komt dat bepaalde ICT ontwikkelingen (bijvoorbeeld het smartbord) snel een plek veroveren in het onderwijs en andere zaken (sociale media) dat maar moeizaam doen.

Schrijvers als Thijs Homan (Organisatiedynamica), Clayton M. Christensen (Disrupting Class), Leike van Oss – Jaap van ’t Hek (Onveranderbaarheid van organisaties) en Rob Zuijderhoudt (Op zoek naar Synergie) bieden mij puzzelstukjes  die mij helpen het plaatje in te vullen. Er zitten echter nog veel witte plekken in. In de bestseller Tipping Point van Malcolm Gladwell (2000) die al lange tijd op mijn te lezen lijstje stond, heb ik weer een paar puzzelstukjes gevonden. (De Nederlandse vertaling heeft de titel ‘het beslissende moment’ gekregen. Ik vind ‘omslagpunt’ passender).

Voor degenen die liever een samenvatting lezen dan een boek: daarvan zijn er meerdere (onder andere deze) op internet te vinden. Tipping Point behandelt het fenomeen epidemie. Zowel in de ‘klassieke’ betekenis van ziekte als positieve betekenis: een nieuwe trend (of in het geval van Tipping Point zelf: een bestseller). Doorbraken dus. Hoe komt het dat sommige zaken pieken en andere niet?

Malcolm geeft aan dat er een aantal versnellers zijn voor doorbraken:
De wet van enkelen. De kritische massa. Voor een doorbraak is het niet nodig dat iedereen op dezelfde golflengte zit of alle neuzen dezelfde kant op staan. Enkelen kunnen het verschil maken. Hiervan zijn er drie types noodzakelijk die gezamenlijk een katalyserend effect kunnen bewerkstelligen:

  • Maven. De extroverte expert. Deze heeft diepgaande kennis van het onderwerp en de wil dit te delen.
  • Connector. De verbindingsofficier. Heeft vele contacten en verbindt meerdere verschillende gemeenschappen. Salesman.
  • De verkoper. Weet door zijn uitstraling te overtuigen.

Plakfactor. Het blijft ‘hangen’: you can’t get it out of your mind (of bij epidemie: body). Het kan de boodschap zijn; het ding (bijvoorbeeld een iPad) of het feit dat je ergens bij wilt horen.

Context. De omgeving en de omstandigheden bepalen mede of een fenomeen doorbreekt. Anders voorgesteld: deze versnellers helpen de kloof (the chasm) tussen de early adopters en  majority te overbruggen.

Achteraf kijk je een koe in de kont. Dit helpt mij bij de verklaring dat op sommige scholen een ICT ontwikkeling als bijvoorbeeld een elo breed is geïmplementeerd: er is een elo-coördinator die goed kan uitleggen hoe de elo werkt en in te zetten is; er is een afdelingsleider die de verbinding vormt tussen directie en secties en er is een enthousiaste docent die kan uitleggen hoe het werken met de elo zijn werk aantrekkelijker maakt. De ICT-infrastructuur is op orde; er is een loket waar je met je vragen terecht kunt en er is een gedeelde visie betreffende de inzet van ICT in het onderwijsproces. Zelf de laggards moeten wel meedoen, anders worden ze erop aangesproken door hun leerlingen.

Het helpt mij ook te verklaren waarom het elders stagneert: één of meerdere van bovengenoemde versnellers ontbreken. Eén generieke aanpak heeft ook weinig kans van slagen, omdat de context overal verschillend is. Ik blijf met de vraag zitten in hoeverre doorbraken te sturen zijn. Voorzien in de door Malcolm genoemde randvoorwaarden zal ongetwijfeld de kans vergroten, maar biedt mijns inziens nog geen garantie voor succes.

Olievlekwerking faalt

Wij werken aan ons tweede ICT beleidsplan. Het vorige dateerde uit 2005, is keurig geëvalueerd en grotendeels gerealiseerd. Tijd dus voor nieuwe versie. Eén van de zaken die daarbij aan de orde komt, is de elektronische leeromgeving (ELO). Onze school heeft ruim 5 jaar geleden gekozen voor TeleTop. Een aantal enthousiaste collega’s hebben dit in de vorm van een pilot opgepakt. Voor de verdere verspreiding binnen de organisatie is men uitgegaan van de ‘olievlekwerking’.
Het aantal docenten en leerlingen dat gebruik maakt van de ELO is in de loop der jaren zeker gegroeid. Binnen een aantal (vmbo)teams is het gebruik ervan verplicht gesteld. Toch moet ik constateren dat de verwachte olievlekwerking stagneert. Het leidt niet tot integraal gebruik. Er is – met uitzondering van de eerder genoemde teams – sprake van vrijblijvendheid.
Aan de techniek, de ondersteuning door de ICT-coördinator en het budget (jaarlijks € 25.000 – vraagt iemand zich weleens af wat de ROI is?) ligt het niet. Waar ligt het dan wel aan?

Bij de opzet van het ICT beleidsplan maak ik dankbaar gebruik van vier in balans van Kennisnet. Op de betreffende pagina lees ik: “Van scholen die succesvolle veranderingen met ict hebben gerealiseerd, kan geleerd worden dat ict geen katalysator is, maar wel een krachtig hulpmiddel voor kwaliteitsverbetering van het onderwijs. Verder blijkt telkens weer dat duurzaamheid en overdraagbaarheid van veranderingen lastige vraagstukken zijn. De zogenoemde olievlekwerking bestaat niet. De meeste kans op succes biedt een aanpak die vragen en knelpunten van scholen als vertrekpunt neemt”.

Ligt het dan aan het uitgangspunt ‘olievlekwerking’? Hierop googelend kom je ook vergelijkbare metaforen als sneeuwbaleffect en domino-effect tegen. Het is verbazend om te zien hoe gemakkelijk men ervan uitgaat dat dit werkt. Ik heb daar inmiddels zo mijn twijfels over.

De olievlekwerking veronderstelt een wateroppervlak zonder stromingen. De organisatie blijkt echter uit meerdere vijvertjes / watertjes te bestaan, waarvan sommige via een brede stroom onderling verbonden zijn en sommige nauwelijks met elkaar verbonden zijn. Binnen de organisatie is sprake van diversiteit en decentrale / lokale besluitvorming (op sector- / locatie- / team- / sectie- of zelfs docentniveau). De ‘olie’ zal dus lang niet overal komen.

Het ‘sneeuwbaleffect’ veronderstelt de aanwezigheid van ‘voeding’ (sneeuw) en een voortstuwende kracht, bijvoorbeeld een schoolbreed gedeelde visie ten aanzien van het gebruik van de ELO (vergelijk dit met de zwaartekracht die de sneeuwbal van de helling laat rollen). Als deze kracht ontbreekt, moet je duwen (bijvoorbeeld door enthousiaste collega’s en/of de ICT-coördinator). Ervaring leert dat je harder moet duwen naarmate de sneeuwbal groter wordt. Op een gegeven moment lukt dat niet meer.  De weerstand is te groot. Het sneeuwbaleffect bestaat niet.

Het domino-effect veronderstelt (bouw)stenen die geordend op de juiste onderlinge afstand opgesteld staan. Verder een hoog zwaartepunt op korte afstand van het kantelpunt, waardoor de steen gemakkelijk omvalt. De meeste mensen in de organisatie hebben echter meer weg van een tuimelaar dan van een dominosteen. Het domino-effect is een mooi uitgangspunt voor Domino day, maar niet voor veranderprocessen.

Olievlekwerking, sneeuwbaleffect of domino-effect als uitgangspunt voor veranderprocessen is (te) simplistisch. Je kan en mag er niet op vertrouwen. De werkelijkheid is complexer en chaotischer. Moet je dan maar stoppen met vernieuwen? Nee! Je moet stoppen met de gedachte dat dit soort veranderingen planmatig kunnen worden beheerst en het verloop ervan voorspelbaar is, als ware het olie, sneeuw of dominostenen.

Misschien is het vlindereffect (zie alinea ‘De vlinder en de orkaan’) een passender uitgangspunt?