Disrupting class: 9

‘Giving the schools the right structure to innovate’. De titel doet vermoeden dat Clayton in dit hoofdstuk met oplossingen komt. Dat is niet het geval. Hij beschrijft structuren die noodzakelijk zijn bij verschillende vormen van innovatie.

Initieel wordt een organisatiestructuur opgezet om de ontwikkeling en levering van producten en/of diensten mogelijk te maken. In een volwassen stadium van de organisatie bepaalt de organisatiestructuur de architectuur van de producten en/of diensten. Wanneer deze fundamenteel moeten worden gewijzigd, wordt dat verhinderd door de bestaande organisatiestructuur.

Clayton heeft de volgende classificatie opgesteld voor de aanpak van innovaties:

bron: Disrupting Class

De eenvoudigste categorie betreft verbeteringen / veranderingen op afdelingsniveau. Hierbij bestaat geen onderlinge afhankelijkheid met andere afdelingen. Een voorbeeld is de keuze van een nieuwe methode door een vaksectie.

Voor veranderingen waarbij er sprake is van een voorspelbare afhankelijkheid tussen afdelingen, is er een ‘lichtgewicht’ projectteam nodig. De projectleider (vierkante blokje) coördineert werkzaamheden. Dit wordt weergegeven door de stippellijnen tussen de projectleden (bolletjes). De projectleden blijven primair verantwoordelijk voor de (resultaten van) de afdeling. Dit wordt weergegeven door de verticale (gesloten) lijn. De teamleden vertegenwoordigen hun afdeling en behartigen de belangen daarvan. Voorbeeld is de invoering van een electronische leeromgeving.

Wanneer er een nieuw product (of dienst) moet worden geïntroduceerd, is een ‘zwaargewicht’ team noodzakelijk. Er is een grote(re) mate van onvolspelbaarheid. De teamleden uit de verschillende disciplines moeten samenwerken en hun expertise inbrengen. Het belang van het nieuwe product staat voorop, niet dat van de afdeling(en).

De meest vergaande vorm is een autonoom team. Daarbij moet een hele nieuwe organisatorische eenheid (business unit) worden gevormd. Dit team opereert buiten de bestaande organisatiestructuur. In de terminologie van hoofdstuk 8 is er bij de inzet van een zwaargewicht of autonoom team sprake van afscheiding.

Clayton gebruikt de ontwikkeling van de Toyota Prius als voorbeeld van de inzet van een zwaargewicht team. Voor dit nieuwe product moest de kennis van bestaande onderdelen en productiemethoden worden gecombineerd met de ontwikkeling van nieuwe onderdelen. Ook productielijnen moesten opnieuw worden ontworpen. Het hoe is vastgelegd, zodat er een basis was voor latere verbeteringen.

In onderwijsorganisaties is bijna uitsluitend sprake van veranderingen met behulp van functionele of lichtgewicht teams. Vorming van een zwaargewicht team is vrijwel onmogelijk, omdat de teamleden niet (kunnen) worden vrijgemaakt. Fundamentele veranderingen zijn hierdoor nagenoeg uitgesloten.

In de U.S. kunnen zogenaamde ‘Chartered Schools‘ fungeren als een zwaargewicht team. Deze scholen stappen uit de bestaande structuur van schooldistricten (afscheiding) met als doel nieuwe vormen van onderwijs aan te bieden. Clayton merkt nadrukkelijk op dat hier geen sprake is van een disruptive innovation. Er is immers geen sprake van non-consumers. Zodra een nieuwe vorm van onderwijs succesvol is, moet worden vastgelegd en gedeeld – net als in een later stadium bij de ontwikkeling van de Toyota Prius gebeurde – wat voor welk type leerling onder welke omstandigheden werkt.

De grootste valkuil van dit soort initiatieven is dat ze niet passen in de publieke voorstelling van hoe scholen zouden moeten functioneren.

Disrupting class: 4

Hoofdstuk 4 heeft als titel: ‘disruptively deploying computers’. Disruptive wordt wel vertaald als ‘ontwrichtend’. Ik vertaal deze titel als: “vernieuwende inzet van ICT” (hoewel de term vernieuwend door de reclame veel van z’n glans heeft verloren).

Tot op heden heeft studentgerichte technologie met gebruik van ICT nauwelijks voet aan de grond gekregen in het reguliere onderwijs. Toch verwacht Clayton dat dit – net als alle succesvolle ‘disruptive innovations’ – in de komende jaren zal veranderen, omdat dit het beste alternatief is voor non-consumptie. Op het eerste gezicht bestaat non-consumptie niet in het onderwijs. Toch verwacht Clayton een sterke toename van non-consuptie.

In de eerste fase zal de transitie van docent naar software gestuurde instructie plaatsvinden. De tweede fase noemt Clayton ‘student-centric-technology’. De software sluit – voor elk onderwerp – aan bij de intelligentie en leerstijl van de student.

Clayton ziet de volgende markten voor non-consumptie:

  • Advanced Placement (AP) en andere specialistische (vervolg)opleidingen. Niet alle scholen kunnen dit programma aanbieden, omdat de vraag (te) klein is of de middelen ontbreken om bekwame docenten aan te trekken.
  • Kleine (plattelands)scholen die geen breed (of diep) aanbod kunnen bieden. Deze scholen hebben grote moeite voldoende bevoegde docenten aan te trekken.
  • Studenten die een inhaalslag moeten maken, of vakken moeten overdoen.
  • Thuisonderwijs (of in ziekenhuis).
  • Leerlingen die speciale zorg nodig hebben.
  • Privé en voorschools onderwijs.

Hij signaleert dat deze markt groeiende is en voorspelt dat in 2019 50% van het curriculum in ‘high school’ (vergelijkbaar met de bovenbouw van ons voortgezet onderwijs) online zal worden gegeven.
Hij signaleert vier factoren die de vernieuwende inzet van ICT zal versnellen:

  1. De software zal sterk verbeteren. Er zal volledig gebruik worden gemaakt van online media (onder andere video, audio en animatie). Simulatie maakt het mogelijk omgevingen aan te bieden die nu niet binnen budget, omgeving of gebouw mogelijk zijn.
  2. Het wordt mogelijk om per onderwerp een individueel leertraject te kiezen dat aansluit bij elk type lerende.
  3. Het groeiende tekort aan leraren.
  4. De kosten zullen sterk dalen naarmate de markt groeit. Clayton voorspelt dat de kosten per student de komende tien jaren 15% dalen bij elke verdubbeling van het marktvolume.

Clayton geeft aan dat de leraar altijd zal blijven bestaan, maar dat zijn/haar rol zal veranderen van instructeur naar begeleider. Dit zal hele andere competenties van de leerkracht vragen. De vernieuwende inzet van ICT zal het mogelijk maken dat de ratio leerling : leraar kan worden verhoogd. Dat zal waarschijnlijk ook noodzakelijk zijn gezien de te verwachten bezuinigingen.

Verder signaleert hij dat er door een steeds grotere focus op reken- en taalonderwijs op ‘nice-to-have’ vakken wordt bezuinigd. Dit creëert een vacuüm voor non-consumptie. Ook maakt vernieuwende inzet van ICT het mogelijk dat scholen zich kunnen onderscheiden door bepaalde vakken aan te bieden die binnen het reguliere programma niet kunnen worden aangeboden.

Scholing ICT

Afgelopen woensdagmiddag (16-12) heb ik een bijeenkomst bijgewoond, georganiseerd door de gezamenlijke pedagogische studiecentra APS, CPS en KPC. Zij zijn door het Innovatie Platform VO (een initiatief van de VO-raad) gevraagd een raamwerk op te zetten voor professionalisering van VO docenten op het gebied van ICT.

De gezamenlijke studiecentra stellen de ontwerpeisen vast voor een scholingsportaal en willen daar een eerste aanzet voor scholingsaanbod in opnemen. Ik zie een parallel met WikiWijs. Dit te ontwerpen portaal richt zich echter niet op digitaal leermateriaal, maar op de competenties van docenten ten aanzien van het gebruik van ICT toepassingen. Docenten moeten door dit platform uitgedaagd worden hun ICT competenties te verruimen, de toepassing van ICT te stimuleren en er voor te zorgen dat de meerwaarde van ICT nog beter wordt benut. Vraag en aanbod voor wat betreft ICT scholing moeten samenkomen op dit platform.

Die middag waren ruim 20 docenten uitgenodigd hun ideeën over deze onderwerpen te delen met elkaar en de vertegenwoordigers van de studiecentra. Er volgen nog vergelijkbare bijeenkomsten met de verantwoordelijken voor  ICT en directie/bestuurders.

Een belangrijk initiatief dat goed aansluit bij WikiWijs, want alleen met de content zijn we er nog niet.

Betutteling

Via de blog leervlak.nl van Jeroen Bottema kwam ik bij de presentatie van Alexandre Peltekian. Drie kwartier kijken en luisteren. Interessante gezichtspunten, met het ‘Free Flight concept’ als belangrijkste. De luchtverkeersleiding (lees het management) moet haar stuurprincipe opgeven. Leg de verantwoordelijkheid bij de piloot, in combinatie met goede voorzieningen op het gebied van navigatie en communicatie en het wordt veiliger in de lucht, waarbij er ook nog meer vliegbewegingen mogelijk zijn. De professionals regelen het zelf wel. Peltekian maakt de vergelijking: een piloot  wil vliegen, een docent wil lesgeven. Een professional gedijt het best in een omgeving waar hij zelf iets mag ondernemen. Betutteling maakt dat mensen niet meer zelf denken en communiceren.

Mijn eerste reactie was: “aardige analyse van de situatie in het onderwijs”. Ik zie bijvoorbeeld wel overeenkomsten tussen systeembeheer en de luchtverkeersleiding. Systeembeheer wil reguleren en bepaalt wat kan en mag. Met de democratisering van de technologie zal dit principe niet lang meer overeind blijven. De muis als stuurknuppel! Deze vorm van betutteling zal – als het aan mij ligt – binnen vier jaar verdwenen zijn binnen onze school.

Bij nader inzien vind ik de metafoor docent – piloot zwak. Een piloot vervoert mensen veilig van A naar B. De passagiers hebben hier geen invloed op. Hoe anders een klas met leerlingen. De leerling zelf bepaalt of hij meedoet. De metafoor leerling – piloot is meer op z’n plaats. Binnen deze metafoor is de docent vergelijkbaar met de voorziening op het gebied van navigatie en communicatie. Een randvoorwaarde dus.
Wat gesteld wordt ten aanzien van de betutteling van de docent door het management kan ook gezegd worden van de betutteling van de leerling door de docent.

Het ‘Free Flight concept’ voldoet mogelijk als oplossing voor problemen die kunnen worden opgelost door goede onderlinge afstemming. Er zijn organisaties die de medewerkers zelf hun roosters laten opstellen. Het fileprobleem en het parkeerprobleem bij één van onze locaties wordt er niet door opgelost: “Als ik vandaag op de fiets ga, kan jij je auto parkeren. Morgen doen we het omgekeerd.” Ik dacht het niet.

Voorjaars schoonmaak?

In ‘Trouw’ van zaterdag stond een artikel over ‘defrienden’, ofwel: snoeien in je ‘vrienden’ in Hyves, Facebook en Myspace. Ook Wauwel heeft er in een blog aandacht aan besteed.

Dit zou te maken hebben met het feit dat het aantal ‘vrienden’ gekoppeld zou zijn aan status. Nu is het al lastig genoeg je f2f sociale contacten te onderhouden, laat staan de honderden s2s contacten. Opruiming houden dus?

Ik zie het gebruik van sociale software als een zinvolle aanvulling op contacten met familie, vrienden en collega’s. Via bijvoorbeeld LinkedIn ben ik in contact gekomen met vakgenoten die ik zonder sociale software waarschijnlijk nooit ontmoet zou hebben. Ik vind de term contacten daarom ook passender dan vrienden.

Voor mij zijn participatie, delen en samenwerken belangrijke (kern)waarden. De theorie van Connectivisme spreekt mij daarom erg aan. Zonder contacten is dat onmogelijk. Voor mij dus geen voorjaarsschoonmaak. Je weet nooit hoe een ‘slapend’ contact nog eens van pas komt.

Goede voornemens

De jaarwisseling is een moment waarop je terugblikt en vooruitkijkt. Een beetje vergelijkbaar met een cv waarin je aangeeft wat je tot nu toe hebt gedaan en een C.I. (Curriculum Illusione). Dit is een gedachte experiment waarin je een voorstelling van de toekomst schept. Onmogelijk zal je zeggen, want we kunnen het weer over een week niet eens voorspellen. Toch doen we in beleidsplannen niets anders. Ik heb mijzelf voorgenomen mijn C.I. op te stellen. Dat kan op http://ci.rvu.nl. De eerste vraag is confronterend: wanneer je denkt te sterven.

Oh ja, nog een ander goed voornemen: meer bewegen. Misschien kan ik daarmee het eindpunt op de tijdlijn wat naar achteren verplaatsen.

Opleiding innovatie in het onderwijs

De Hogescholen Windesheim en Stenden starten in september 2009 een opleiding om innovatie in het onderwijs te stimuleren. Deze mededeling roept bij mij een aantal vragen op:
Is het onderwijs zo’n specifieke bedrijfstak dat daar een dergelijke opleiding voor wordt opgezet? Of bestaan er ook vergelijkbare masters voor bijvoorbeeld innovatie in de gezondheidszorg?
Is dit misschien wat voor mij? Er zitten zeker elementen (veranderen, ICT, kwaliteit, leren) in die mijn interesse hebben.
Nu leer ik vooral informeel. Misschien is dit een kans om voor mijzelf een ‘blended leeromgeving te creëren? Na 15 januari kom ik hier op terug.

Oude meuk

Ik heb nog een drietal oude laptops (2 Dell Latitude ls en een Compaq Armada e500)  liggen. Wat kan je er nog mee? Niet veel. Je hoort en leest steeds meer over Linux, dus probeer je dat er op te zetten. De installatie van Ubuntu Gnome verliep vlekkeloos. De maximale resolutie van de Latitude ls is 800 x 600. Lastig om steeds te moeten scrollen. Dus verder op de E500. Helaas geen herkenning van zowel de ethernetkaart als de pcmcia draadloze kaart.

Dus probeer je Ubuntu KDE. Nu wordt de ethernetkaart wel herkend. De draadloze kaart niet. Installatie is niet voor de hand liggend. Bovendien klapt de browser er steeds uit. Kortom: een dag geklungeld en het enige dat het mij heeft opleverd, is onbegrip bij Ineke. Ik zet ze op marktplaats!