Lerende leraren

Als zijinstromer kijk ik vanuit een ander perspectief naar mijn (werk)omgeving dan menig collega met tig jaren ervaring. Soms met verwondering, die ik als volgt in een paradox heb geformuleerd: “hoe is het mogelijk dat in een organisatie waar leren het primaire proces is, degenen die dat faciliteren (de leraren) dat gedrag zelf zo weinig vertonen?”

Via mijn LinkedIn netwerk werd ik op een lezing (op fietsafstand) van Klaas van Veen geattendeerd met onderstaande omschrijving:
Scholen zijn organisaties waarin leerlingen leren. Een omgeving waarin leerlingen alleen en samen met anderen leren lezen, rekenen, of een diploma behalen of zich voor te bereiden op een beroep.
Maar zijn scholen ook een omgeving waar docenten kunnen leren? Deze vraag is actueler dan ooit, daar van leraren wordt verwacht dat zij aan hun eigen ontwikkeling werken.
Maar hoe kunnen organisaties een omgeving inrichten waarin het leren van docenten net zo normaal is als het leren van leerlingen?
Prof. Dr. K. (Klaas) van Veen, zal in een lezing ingaan op bovenstaande vragen door te kijken wat onderzoek hierover zegt en met name hoe dit leren door leraren effectief kan plaatsvinden en optimaal worden georganiseerd. Zijn algemene stelling is dat scholen slecht zijn ingericht op het leren van docenten en dat ze er daarom maar beter niet aan kunnen beginnen, tenzij…

Mijn belangstelling werd hierdoor gewekt en ik heb zijn lezing vorige week bijgewoond. Het was een interessant verhaal waardoor ik nu veel genuanceerder tegen de door mij geformuleerde paradox aankijk. Ik geef een (zeer) korte samenvatting van de door Klaas genoemde bevindingen.
Leren van leraren blijkt het meest effectief als:

  • de inhoud (‘leerstof’) les gerelateerd en direct toepasbaar is,
  • de leraren zelf actief en onderzoekend kunnen leren,
  • de leraren gezamenlijk kunnen leren,
  • er voldoende tijd en ruimte voor beschikbaar is,
  • er sprake is van samenhang met het beleid,
  • het tevens gericht is op het leren van de leerlingen.

Nu heb ik dit schooljaar een aantal verschillende trainingen gevolgd, waarvan het leerrendement voor mij nihil was. Als ik daarop terugkijk, kost het mij moeite twee (laat staan meer) matches te vinden met bovenstaande criteria. Klaas heeft veel onderzoek gedaan naar onder andere de professionele ontwikkeling van leraren, waarvan ik inmiddels deze publicatie uit 2010 heb gelezen. Misschien moet ik mijn paradox als volgt herformuleren: “hoe is het mogelijk dat, nu de randvoorwaarden voor professionele ontwikkeling van leraren bekend zijn, deze nauwelijks worden ingevuld door het management?”

Deze blog draag ik op aan mijn vader, onderwijsman in hart en nieren. Hij zou vandaag 90 geworden zijn.

Klooien

In de taal van mijn wortels, het Achterhoeks, zeggen ze het als volgt: “wi-j knooit moar vedan”. In het Fries: “it bliuwt pielen”.
Martijn Aslander benadrukt het belang van prutsen of klooien. Het is een belangrijke voorwaarde voor leren en ontwikkeling.

Deze week wees een leerlinge (dank je Amber) tijdens een les over ‘Big Data’ mij op Tumblr. Had ik nog nooit van gehoord. Nu was ik in Magister aan het prutsen met een studiewijzer om mogelijke onderwerpen voor een profielwerkstuk (PWS) voor mijn vak informatica op een rij te zetten. Dat resulteerde in een verzameling tekst met hyperlinks. Niet echt uitnodigend voor leerlingen om zich te oriënteren op een mogelijk onderwerp.

Na wat grasduinen in Tumblr (bekijk vooral ‘wat is Tumblr?’) dacht ik: “als ik dat nu eens gebruik voor het PWS verhaal”. Een avondje experimenteren (mijn vrouw vindt klooien negatief en plat klinken, dus gebruik ik dit nu maar als synoniem) leverde het volgende resultaat op:
https://vwo5-informatica-pws.tumblr.com/
Grootste voordeel vind ik dat dit visueel veel aantrekkelijker is dan de studiewijzer. Verder is het open, waardoor ook leerlingen van andere scholen hier inspiratie op kunnen doen.

ICT en onderwijs: nooit af

Omdat vandaag de computerlokalen bezet waren i.v.m. het BGP examen, was ik ‘gedwongen’ een theorieles informatica te geven. Ik wilde de leerlingen een doorkijkje geven van de huidige en toekomstige ontwikkelingen van ICT. Voor dat doel heb ik een video van Martijn Aslander, schrijver van onder andere het boek ‘Nooit af’, over de invloed van technologie voor de komende tien jaar gebruikt.

De leerlingen waren zeer geboeid. Wat ze vooral bijbleef: het belang van je houding, de convergentie van diverse technologieën, de chip in zijn arm, het begrip ‘permanent beta’ (vgl. ‘Endless Newbie’ van Kevin Kelly) en de potentie van dataopslag in DNA.
Dit ‘college’ was gericht op docenten. In zijn boeiende en vlot lezende boek ‘Nooit af’ besteedt Martijn ook een hoofdstuk aan de consequenties van de ontwikkelingen voor het onderwijs:
Nooit-af-onderwijs

Bijvangst van deze les was een aantal potentiële nieuwe onderwerpen voor een PWS (informatica): data opslag in DNA, 4D printing, deep learning, nano technologie, predictive intelligence en open hardware (kunstmatige intelligentie, virtual reality, domotica, robotica, big data en bio-informatica stonden al op het lijstje).

Education to Better Their World

marc-prensky-etbtw

Via ictnieuws.nl werd ik een maand geleden geattendeerd op het nieuwe boek van Marc Prensky. Deze introductie sprak mij aan en daarop heb ik het boek aangeschaft. Inmiddels heb ik, tussen alle voorbereidingen en correctiewerk door, het boek uitgelezen. Marc heeft veel woorden nodig om zijn boodschap over te brengen. In het kort komt het erop neer dat volgens hem de huidige invulling van het onderwijs haar beste tijd heeft gehad.

Hij noemt dit ‘academic education’ dat tot de vorige eeuw voldeed, maar in deze 21e eeuw de leerlingen niet meer aanspreekt, uitdaagt en voorbereidt op hun werkbare leven. In zijn ‘pitch’ (edcast.com) geeft hij aan dat de omstandigheden waarin de jongeren nu leven het mogelijk (lees: noodzakelijk) maken dat we op een andere manier naar onderwijs en leren kijken.

Marc is kritisch over de inzet van ICT in het huidige onderwijs. Hij geeft aan dat dit meestal gericht is op een verbetering van een paar procentpunten van het bestaande (‘academic’) onderwijs. Volgens hem moet ICT ingezet worden als gereedschap voor de leerlingen om de wereld (of bescheidener: leefomgeving) te verbeteren. Dat moet het doel zijn van het onderwijs. Daarvoor zijn vier basis vaardigheden belangrijk:

  1. Effectief denken
  2. Effectief handelen
  3. Effectieve relaties onderhouden
  4. Effectief ‘accomplishment’ (Van Dale: prestatie / bekwaamheid / vervulling).

Het huidige onderwijs is teveel gericht op ‘achievement’. De vertaling is volgens Van Dale hetzelfde als van ‘accomplishment’, maar volgens Marc is ‘achievement’ meer persoonlijk en niet gericht op de omgeving /gemeenschap. Volgens hem staan we aan de vooravond van een paradigmashift:

Vanaf het moment waarop de leerlingen zich bezig houden met ‘echte’ problemen en projecten (betekenisvol, zinvol, ‘real live’ en ‘connected’), zullen leerlingen in de toekomst worden beoordeeld op hun bijdrage aan de verbetering van de wereld en zal de rol van de leraar veranderen in die van aanjager daarvan en begeleider daarbij.

Hij voorspelt dat de verandering er komt op basis van een quasi wiskundige formule: D x V x F > R.

  • R = Resistance (weerstand tegen de verandering bij leraren, management en overheid)
  • D = Dissatisfaction (onvrede)
  • V = Vision: een (nieuwe en gedeelde) visie
  • F = First steps, bijvoorbeeld moonshotsedu en dream.do

Omdat naar zijn zeggen D, V en F toenemen zal dit R overtreffen, waarmee het ‘tipping point’ wordt bereikt.

Toevallig (of misschien niet) las ik dit bericht dat de scholen in Finland de verschillende vakken binnen het curriculum zullen opheffen met ingang van 2020. Ook in de RSA animatie van Sir Ken Robinson vind je overeenkomsten met het verhaal van Marc Prensky. Signalen dat V en F inderdaad groter worden. In mijn werkomgeving ervaar ik dat D ook groeiende is. Met Marc Prensky ben ik optimistisch dat de omslag er gaat komen. Of ik in mijn laatste jaren als docent deze kanteling nog meemaak, betwijfel ik (als realist).

Havoïsering

Vanmorgen las ik op de voorpagina van Trouw dit artikel over de sluiting van het Aloysius College in Den Haag. De rector geeft als belangrijkste reden hiervoor de ‘witte vlucht’ aan. Scholen stoten hun vmbo afdeling af om aantrekkelijk te blijven voor vwo’ers. De gemeente Den Haag geeft als reden voor de sluiting mismanagement op. Op Pagina11 van Trouw wordt ‘kleurscheiding op school’ nader uitgewerkt.

vmbo-krimp

Volgens mij spelen er meer factoren een rol. Er is al een aantal jaren sprake van een afname van het aantal leerlingen van de beroepsgerichte leerwegen. Deze trend wordt ook wel havoïsering genoemd: een soort opwaartse druk richting de ‘hogere’ niveaus. Samen met de krimp die in sommige regio’s gaande is, vraagt dit om maatregelen. De meest verregaande is fusie. Een minder verregaande is dat de beroepsgerichte leerwegen van verschillende scholen (vaak zelfs ‘concurrenten’) in de regio intensief gaan samenwerken door het gebouw, lokalen en/of personeel met elkaar te delen. Voorbeelden daarvan zijn onder andere het Drechtsteden College in Dordrecht en Scholencombinatie Delfland in Delft. In de Achterhoek zie je dat er vroegtijdig wordt geanticipeerd op de ontwikkelingen: VO bereid zich met samenwerking voor op krimp. Heeft de directie van Aloysius het niet zien aankomen, of zijn ze er niet in geslaagd de juiste actie te nemen en de samenwerking te zoeken?

Gevraagd: applicatiebeheerder (M/V)

Twee jaar geleden heb ik er ook al een blogje aan gewijd: applicatiebeheer in het VO. De afgelopen maand kwam dit onderwerp weer een aantal keren voorbij, waarbij er vooral om een functiebeschrijving werd gevraagd. Van de eerder vermelde voorbeeldfunctie van FUWA-VO heb ik een nieuwe versie gevonden. Hier onder geef ik mijn visie op de rol van de applicatiebeheerder in het VO:

Samenvatting activiteiten: Een applicatiebeheerder schept – binnen het School Informatie Systeem (SIS) – de randvoorwaarden om gegevens vast te kunnen leggen en informatie te genereren binnen de kaders die de organisatie daarvoor stelt.
Het werkterrein is Bedrijfsvoering > ICT. Dat wil ik nuanceren. Kennisnet biedt met vier in balans een model om de aan ICT gerelateerde processen binnen een onderwijsorganisatie te bekijken. Inmiddels geven ze hierin ook aan welke toegevoegde waarde het gebruik van ICT kan geven:

bron: Kennisnet

bron: Kennisnet

De huidige School Informatie Systemen (Magister en SOMtoday) in het VO zijn geïntegreerde pakketten waarbinnen de domeinen Administreren, Leren, Begeleiden en Sturen worden onderkend. Daarmee kan het SIS zowel het verhogen van het leerrendement als de doelmatigheid ondersteunen. Het beheer van het SIS zit volgens mij in de pijler ‘inhoud en toepassingen’ van het vier in balans model. Daarbinnen worden de randvoorwaarden gecreëerd voor het werken met het SIS. Enkele voorbeelden:

Gegevens vast te leggen: cijferkolommen met bijbehorende gemiddelde kolommen klaarzetten; formulieren (sjablonen) voor het leerlingvolgsysteem aanmaken; het kwadrant inrichten; opleidingen, profielen, klassen, locaties, etc. inrichten; absentiecodes aanmaken; (genormeerde) toetsen klaarzetten en inrichten; sjablonen voor studiewijzers opstellen; een mappenstructuur binnen de ELO inrichten; beoordelingen van opdrachten binnen de ELO koppelen aan een cijferkolom. Met de daarbij behorende autorisaties (voor docenten, mentoren, OOP-ers, leerlingen en ouders). En het mede opstellen van de gebruikershandleidingen, protocollen en procedures.
Informatie genereren: sjablonen voor rapportages klaarzetten (overzichten, rapporten, cijferlijsten, etc.) zodat deze gedraaid kunnen worden door de gebruikers en de output genereert die aan hun wensen (zowel qua inhoud als layout) voldoet. Daarnaast ook vaak aanleveren van adhoc informatie, bijvoorbeeld voor de accountant.

schaap-met-vijf-potenUiteraard moet de applicatiebeheerder beschikken over deskundigheid om het werk goed uit te kunnen voeren. De applicatiebeheerder moet een diepgaand beeld hebben van de mogelijkheden van de applicatie en de consequenties kennen van keuzes ten aanzien van instellingen (parameters). Daar zit een spanningsveld. Door de evolutie van het SIS is de functionaliteit de laatste jaren sterk verbreed. Een applicatiebeheerder zou nu zowel generalist (overzicht van de mogelijkheden binnen Administreren, Leren, Begeleiden en Sturen) als specialist (inrichting) moeten zijn. Dat is volgens mij voor één persoon, die meestal werkzaam is/was binnen het domein Administreren, te veel gevraagd. Je ziet daarom steeds vaker dat er een domeinexpert binnen de school wordt belast met het beheer, bijvoorbeeld een ELO-coördinator voor het domein Leren, een Zorgcoördinator voor het domein Begeleiden en een Kwaliteitsmedewerker voor het domein Sturen. Samenwerken op het gebied van beheer door de domeinexperts is dan een vereiste, maar biedt tevens kansen voor leren van en met elkaar. Bovendien verkleint dit de afhankelijkheid en daarmee de kwetsbaarheid van de organisatie van één persoon.

Een applicatiebeheerder werkt binnen de context van de school. Om een maximale toegevoegde waarde van het SIS binnen de school te realiseren, is de verbinding tussen de behoefte van de organisatie op het gebied van Administreren, Leren, Begeleiden en Sturen en de mogelijkheden die het SIS biedt voor de ondersteuning daarvan van groot belang. De domeinexpert zal dus behalve de kennis van de applicatie ook kennis van de (onderwijs)processen binnen de organisatie moeten hebben, zodat hij/zij de (school)leiding kan adviseren over de inzet van het SIS (en de consequenties van de keuzes van de schoolleiding ten aanzien van de betrouwbaarheid en beveiliging kan terugkoppelen). Het vinden van die verbinding kan niet aan het toeval worden overgelaten en moet (dus) worden georganiseerd. Daar komt leiderschap om de hoek kijken. De verantwoordelijkheid daarvoor hoort mijns inziens op het bordje van het Hoofd ICT / ICT Coördinator / ICT portefeuillehouder.

Ik heb een poging gedaan bovenstaande te verwerken in deze functiebeschrijving  in Word op basis van de voorbeeldfunctie van FUWA-VO, zodat je deze voor eigen gebruik kunt downloaden en aanpassen. Als je hier gebruik van maakt, stel ik het op prijs als je verwijst naar deze blog.

Disrupting Class: terugblik

Tuesday-Chalk-BoardOp de ManagementSite trok het artikel ‘De waarheid over Disruptieve Innovatie‘ van de hand van Sjors van Leeuwen mijn aandacht. Ruim vijf jaar geleden kocht ik het boek Disrupting Class van Clayton M. Christensen. Ik heb destijds de moeite genomen daar deze samenvatting van te maken, omdat ik de boodschap van Disrupting Class wilde delen.

In ‘De waarheid over Disruptieve Innovatie’ worden – mede op basis van een onderzoek door Jill Lapore – kanttekeningen en vraagtekens gezet bij de theorie van Clayton M. Christensen. Niet alleen in de VS, maar ook hier aanleiding voor stevige discussies. Wat betekent de twijfel aan de theorie van disruptieve innovatie voor de uitgangspunten en conclusies van Clayton in zijn boek Disrupting Class?

Ik heb geen diepgaand onderzoek gedaan, maar mijn eerste reactie is: niets. In Disrupting Class geeft Clayton zelf aan dat de situatie in het onderwijs niet te vergelijken is met die van bedrijven. ‘Nonconsumers’ tref je niet aan in het onderwijs. De vernieuwingen zullen plaats moeten vinden in de onderwijsorganisaties zelf. Clayton heeft met Disrupting Class primair een ‘gedeelde taal’ willen neerzetten die beschrijft welke stappen nodig zijn om het onderwijs te veranderen. Zes jaar na de publicatie van Disrupting Class durf ik te stellen dat een aantal van zijn aanbevelingen zijn gerealiseerd. Hoogstwaarschijnlijk niet als gevolg van zijn boek, maar als gevolg van andere (met name technologische) ontwikkelingen zoals de komst van de tablet en de verdergaande digitalisering van de leermiddelen. Niet in de vorm van een ‘disruptie’ waarbij het beeld van breekijzer bij mij naar boven komt, maar in de vorm van een hefboom (of beter gezegd: meerdere hefbomen, waarbij er geen causaal verband kan worden gelegd welke hefboom welke verandering heeft veroorzaakt). Een aantal voorbeelden:

  • De leerling staat meer centraal. Leren op maat en passend onderwijs staat op de agenda.
  • Hetzelfde geldt voor adaptief leren (nu nog vooral docent gestuurd).
  • Inzet en gebruik van ICT binnen de lerarenopleidingen: kennisbasis ICT.
  • Er is steeds meer lesmateriaal online beschikbaar.

Als laatste: het door Clayton genoemde autonome team / afsplitsing. Ook daarvan zijn voorbeelden te zien: beroepsgerichte vmbo-afdelingen die zich afsplitsen van het grote geheel en samen werken met hun vakcollega’s van een andere school in dezelfde plaats/regio. Niet ingegeven door ideologie maar omwille van een keiharde economische noodzaak.

De subtitel ‘How Disruptive Innovation Will Change the Way the World Learns’ van Disrupting Class geeft mijns inziens aan het boek meer een trendwatcher rapport is dan een richtsnoer. Van disruption in het onderwijs is geen sprake. Daarvoor is de wendbaarheid en het verandervermogen van onderwijsorganisaties te klein. Sustaining Class was een passender titel geweest. De waarschuwing op de achterkaft blijkt (achteraf) flink misplaatst. Niet alleen de levenscyclus van bedrijven wordt korter: ook die van boeken!img133