I&I 2017: terugblik

Nu ik weer ‘voor de klas’ sta als docent informatica, voelde ik het als een verplichting de I&I conferentie op 19 april 2017 bij te wonen. Een korte terugblik.

Aad van der Drift deed de aftrap, waarbij hij stilstond bij het overlijden van René Franquinet en het (groeiende) tekort aan informatica docenten in het VO. Daarna introduceerde hij de keynote spreker Miles Berry. Zijn presentatie op YouTube. Computational Thinking / Digitale Geletterdheid is hot. In het Verenigd Koninkrijk lopen ze duidelijk voor op ons. Mooi vond ik de term ‘tinkering‘, die aardig in de buurt komt van ‘klooien‘.

Na de keynote heb ik de workshop ‘Scenario’s voor ontwikkeling en invoering van een leerplan voor digitale geletterdheid in de bovenbouw’ van Jos Tolboom en Victor Schmidt (SLO) bijgewoond. Aan de hand van een concreet voorbeeld (fietsroute) met meerdere aanknopingspunten voor digitale vaardigheden bij verschillende vakken ontspon zich een boeiend gesprek. Daarbij kwamen de thema’s scheiding tussen de vakken (in de terminologie van Thijs Homan: losgekoppeld i.p.v. losjes gekoppeld) en de ICT vaardigheden van docenten (maar ook de leerlingen) naar boven drijven. Er vond een stevig potje betekenissenbridge plaats.

Tijdens de lunch was er ruim de gelegenheid om te netwerken. Na de lunch heb ik de workshop ‘Individuele keuzes en groepsgedrag (Kunstmatige Intelligentie)’ van Harmen de Weerd gevolgd. Met behulp van Netlogo (bij het zien van de onderliggende code van één van de simulaties kreeg ik een ‘flashback’ naar het besturen van een schildpad met Logo: afbeelding links) liet Harmen zien dat individueel gedrag op basis van een klein aantal eenvoudige regels ‘intellectueel’ gedrag van een groep tot gevolg (b)lijkt te hebben. Inmiddels heb ik het programma Netlogo door onze ICT afdeling binnen ons schoolnetwerk laten installeren, want ik zie hiervoor zeker toepassingsmogelijkheden bij de informatica lessen.

De afdronk: goede opzet, leerzaam (ik kon zomaar 4 matches maken met de criteria geformuleerd in mijn vorige blog ‘Lerende leraren‘) en voldoende mogelijkheden tot ‘ideeënsex’, ‘mentaal fierljeppen’, ‘betekenissenbridge’ en vormen van ‘weak-ties’ (om maar eens een paar Homan beeldwoorden te gebruiken). Kortom: geslaagd!

 

Klooien

In de taal van mijn wortels, het Achterhoeks, zeggen ze het als volgt: “wi-j knooit moar vedan”. In het Fries: “it bliuwt pielen”.
Martijn Aslander benadrukt het belang van prutsen of klooien. Het is een belangrijke voorwaarde voor leren en ontwikkeling.

Deze week wees een leerlinge (dank je Amber) tijdens een les over ‘Big Data’ mij op Tumblr. Had ik nog nooit van gehoord. Nu was ik in Magister aan het prutsen met een studiewijzer om mogelijke onderwerpen voor een profielwerkstuk (PWS) voor mijn vak informatica op een rij te zetten. Dat resulteerde in een verzameling tekst met hyperlinks. Niet echt uitnodigend voor leerlingen om zich te oriënteren op een mogelijk onderwerp.

Na wat grasduinen in Tumblr (bekijk vooral ‘wat is Tumblr?’) dacht ik: “als ik dat nu eens gebruik voor het PWS verhaal”. Een avondje experimenteren (mijn vrouw vindt klooien negatief en plat klinken, dus gebruik ik dit nu maar als synoniem) leverde het volgende resultaat op:
https://vwo5-informatica-pws.tumblr.com/
Grootste voordeel vind ik dat dit visueel veel aantrekkelijker is dan de studiewijzer. Verder is het open, waardoor ook leerlingen van andere scholen hier inspiratie op kunnen doen.

Education to Better Their World

marc-prensky-etbtw

Via ictnieuws.nl werd ik een maand geleden geattendeerd op het nieuwe boek van Marc Prensky. Deze introductie sprak mij aan en daarop heb ik het boek aangeschaft. Inmiddels heb ik, tussen alle voorbereidingen en correctiewerk door, het boek uitgelezen. Marc heeft veel woorden nodig om zijn boodschap over te brengen. In het kort komt het erop neer dat volgens hem de huidige invulling van het onderwijs haar beste tijd heeft gehad.

Hij noemt dit ‘academic education’ dat tot de vorige eeuw voldeed, maar in deze 21e eeuw de leerlingen niet meer aanspreekt, uitdaagt en voorbereidt op hun werkbare leven. In zijn ‘pitch’ (edcast.com) geeft hij aan dat de omstandigheden waarin de jongeren nu leven het mogelijk (lees: noodzakelijk) maken dat we op een andere manier naar onderwijs en leren kijken.

Marc is kritisch over de inzet van ICT in het huidige onderwijs. Hij geeft aan dat dit meestal gericht is op een verbetering van een paar procentpunten van het bestaande (‘academic’) onderwijs. Volgens hem moet ICT ingezet worden als gereedschap voor de leerlingen om de wereld (of bescheidener: leefomgeving) te verbeteren. Dat moet het doel zijn van het onderwijs. Daarvoor zijn vier basis vaardigheden belangrijk:

  1. Effectief denken
  2. Effectief handelen
  3. Effectieve relaties onderhouden
  4. Effectief ‘accomplishment’ (Van Dale: prestatie / bekwaamheid / vervulling).

Het huidige onderwijs is teveel gericht op ‘achievement’. De vertaling is volgens Van Dale hetzelfde als van ‘accomplishment’, maar volgens Marc is ‘achievement’ meer persoonlijk en niet gericht op de omgeving /gemeenschap. Volgens hem staan we aan de vooravond van een paradigmashift:

Vanaf het moment waarop de leerlingen zich bezig houden met ‘echte’ problemen en projecten (betekenisvol, zinvol, ‘real live’ en ‘connected’), zullen leerlingen in de toekomst worden beoordeeld op hun bijdrage aan de verbetering van de wereld en zal de rol van de leraar veranderen in die van aanjager daarvan en begeleider daarbij.

Hij voorspelt dat de verandering er komt op basis van een quasi wiskundige formule: D x V x F > R.

  • R = Resistance (weerstand tegen de verandering bij leraren, management en overheid)
  • D = Dissatisfaction (onvrede)
  • V = Vision: een (nieuwe en gedeelde) visie
  • F = First steps, bijvoorbeeld moonshotsedu en dream.do

Omdat naar zijn zeggen D, V en F toenemen zal dit R overtreffen, waarmee het ‘tipping point’ wordt bereikt.

Toevallig (of misschien niet) las ik dit bericht dat de scholen in Finland de verschillende vakken binnen het curriculum zullen opheffen met ingang van 2020. Ook in de RSA animatie van Sir Ken Robinson vind je overeenkomsten met het verhaal van Marc Prensky. Signalen dat V en F inderdaad groter worden. In mijn werkomgeving ervaar ik dat D ook groeiende is. Met Marc Prensky ben ik optimistisch dat de omslag er gaat komen. Of ik in mijn laatste jaren als docent deze kanteling nog meemaak, betwijfel ik (als realist).

Disrupting Class: terugblik

Tuesday-Chalk-BoardOp de ManagementSite trok het artikel ‘De waarheid over Disruptieve Innovatie‘ van de hand van Sjors van Leeuwen mijn aandacht. Ruim vijf jaar geleden kocht ik het boek Disrupting Class van Clayton M. Christensen. Ik heb destijds de moeite genomen daar deze samenvatting van te maken, omdat ik de boodschap van Disrupting Class wilde delen.

In ‘De waarheid over Disruptieve Innovatie’ worden – mede op basis van een onderzoek door Jill Lapore – kanttekeningen en vraagtekens gezet bij de theorie van Clayton M. Christensen. Niet alleen in de VS, maar ook hier aanleiding voor stevige discussies. Wat betekent de twijfel aan de theorie van disruptieve innovatie voor de uitgangspunten en conclusies van Clayton in zijn boek Disrupting Class?

Ik heb geen diepgaand onderzoek gedaan, maar mijn eerste reactie is: niets. In Disrupting Class geeft Clayton zelf aan dat de situatie in het onderwijs niet te vergelijken is met die van bedrijven. ‘Nonconsumers’ tref je niet aan in het onderwijs. De vernieuwingen zullen plaats moeten vinden in de onderwijsorganisaties zelf. Clayton heeft met Disrupting Class primair een ‘gedeelde taal’ willen neerzetten die beschrijft welke stappen nodig zijn om het onderwijs te veranderen. Zes jaar na de publicatie van Disrupting Class durf ik te stellen dat een aantal van zijn aanbevelingen zijn gerealiseerd. Hoogstwaarschijnlijk niet als gevolg van zijn boek, maar als gevolg van andere (met name technologische) ontwikkelingen zoals de komst van de tablet en de verdergaande digitalisering van de leermiddelen. Niet in de vorm van een ‘disruptie’ waarbij het beeld van breekijzer bij mij naar boven komt, maar in de vorm van een hefboom (of beter gezegd: meerdere hefbomen, waarbij er geen causaal verband kan worden gelegd welke hefboom welke verandering heeft veroorzaakt). Een aantal voorbeelden:

  • De leerling staat meer centraal. Leren op maat en passend onderwijs staat op de agenda.
  • Hetzelfde geldt voor adaptief leren (nu nog vooral docent gestuurd).
  • Inzet en gebruik van ICT binnen de lerarenopleidingen: kennisbasis ICT.
  • Er is steeds meer lesmateriaal online beschikbaar.

Als laatste: het door Clayton genoemde autonome team / afsplitsing. Ook daarvan zijn voorbeelden te zien: beroepsgerichte vmbo-afdelingen die zich afsplitsen van het grote geheel en samen werken met hun vakcollega’s van een andere school in dezelfde plaats/regio. Niet ingegeven door ideologie maar omwille van een keiharde economische noodzaak.

De subtitel ‘How Disruptive Innovation Will Change the Way the World Learns’ van Disrupting Class geeft mijns inziens aan het boek meer een trendwatcher rapport is dan een richtsnoer. Van disruption in het onderwijs is geen sprake. Daarvoor is de wendbaarheid en het verandervermogen van onderwijsorganisaties te klein. Sustaining Class was een passender titel geweest. De waarschuwing op de achterkaft blijkt (achteraf) flink misplaatst. Niet alleen de levenscyclus van bedrijven wordt korter: ook die van boeken!img133

mindshift

denkraamVia de blog ‘Mindshifting: (hoe) kunnen we mindsets veranderen?‘ van Wilfred Rubens werd ik geattendeerd op de afscheidsrede van Robert Jan Simons. Het volledige artikel is te downloaden via zijn site visieopleren.nl onder publicaties. Aan de hand van een aantal metaforen (onder andere geloof in Sinterklaas en roeien in Vietnam) vormt hij beelden van het begrip mindset (ik heb daarvoor al eerder de term ‘denkraam‘ gebruikt).

Robert Jan Simons definieert mindset als: “Een aantal samenhangende, meestal impliciete, voor henzelf vanzelfsprekende, assumpties, opvattingen en kennisonderdelen, van individuen of groepen, vaak rondom een kernidee, basisassumptie, die het gedrag van deze mensen blijvend bepalen”. Naast de individuele mindshift  behandelt hij ook de collectieve mindshift. Ik zie daarin overeenkomsten met de lokale en collectieve betekeniswolken die Thijs Homan beschrijft.

In zijn publicatie gaat Robert Jan Simons nader in op mindsets ten aanzien van nieuwsgierigheid, leren en het geven van feedback door leraren. Hij komt met een stappenplan waarin – afhankelijk van de fase van leren – mogelijke interventies zijn opgenomen. Voor het tot stand komen van een mindshift zijn anderen nodig. Daarin zie ik weer een parallel met Homans ‘eilandhoppen’ en ‘ideeënsex’: “Het ontwikkelen van nieuwe beelden is deels een individueel proces, maar zeker ook een interactioneel proces”.

In veel verandertrajecten wordt (nog) te weinig rekening gehouden met verschillen in individuele en collectieve mindsets. Robert Jan Simons stelt in zijn conclusie dat meer onderzoek nodig is naar het hoe van het veranderen van een mindset. Hij geeft aan het merkwaardig te vinden dat hiernaar nog zo weinig onderzoek is gedaan. Dit is in lijn met de bevindingen van Thijs Homan: “Er kunnen nieuwe options for action emergeren, maar of die nieuwe options for action ook daadwerkelijk tot concrete en voorspelbare successen zullen leiden is niet bekend”.

Het artikel van Robert Jan Simons heeft mijn beperkte denkraam (mindset) ten aanzien van leren en veranderen bekrachtigd. In het kader van dit onderwerp kan je stellen dat hier sprake is van een paradox: het heeft mijn mindset versterkt, waardoor een mindshift minder waarschijnlijk is.

Handelingsverlegenheid

De term handelingsverlegenheid heeft, sinds het uitbrengen van het rapport van de commissie Samson betreffende sexueel misbruik binnen de jeugdzorg, meer aandacht gekregen. “Het taboe op seksualiteit en de handelingsverlegenheid van de professionals heeft mij verbaasd”, zegt Rieke Samson. Ik ben minder verbaasd!

Handelingsverlegenheid wordt vooral in verband gebracht met de zorg en het onderwijs. Definitie Taalunieversum (onderwijstermen): “Toestand die ontstaat wanneer individuele leerkrachten of de school in het algemeen geen verantwoord adequaat antwoord (meer) kunnen geven op de specifieke instructie- en onderwijsbehoeften van één of meer leerlingen“.

Handelingsverlegenheid is (blijkbaar) gerelateerd aan een onbekende (meestal complexe en nieuwe) situatie en je eigen beperkte repertoire (competenties). Dit geldt niet alleen voor individuen, maar ook voor groepen en organisaties. Er is sprake van een aarzeling (je weet het even niet meer), terwijl de situatie om actie vraagt. Om tot actie te komen, moeten in deze gevallen routines worden doorbroken.

Laten we nu – en dat geldt niet alleen voor de zorg en het onderwijs – vooral geleerd hebben zaken te categoriseren, in hokjes te stoppen. Op gedrag of een situatie plakken we een etiketje, zodat we vervolgens kunnen vaststellen welke (be)handeling vereist is. Omdat ik het zelf niet beter kan verwoorden, citeer ik hieronder Mathieu Weggeman uit Leidinggeven aan professionals? Niet doen!

De aanpak is doorgaans de complexe situatie te vereenvoudigen en vervolgens te standaardiseren. Perrow (1970) heeft dit mechanisme ‘pigeon holing’ genoemd. Het bestaat hierin dat de professional de behoefte van de klant diagnosticeert en categoriseert in termen van een veelkomend geval waarvoor een standaard aanpak of programma aanwezig is hetgeen vervolgens van toepassing wordt verklaard. Mensen, problemen en situaties “are categorized and placed into pigeon holes because it would take enormous resources to treat every case as unique and requiring thorough analysis. Like stereotypes, categories allow us to move through the world without making continuous decisions at every moment”. De professional zet dus zijn kennis in om een correcte diagnose te stellen en op basis daarvan de juiste keuze te kunnen maken uit de beschikbare standaardprogramma’s en protocollen.
“Als je alleen over een hamer beschikt, ben je geneigd de hele wereld als een spijker te zien” zou Abraham Maslow ooit hebben gezegd.

Er is geen spoorboekje voor dit soort situaties en terugkeer naar de vertrouwde ‘duiventil’ werkt contraproductief. Het lijkt alsof handelingsverlegenheid steeds vaker voorkomt. Pigeon holing is niet de enige verklaring. De situaties waarmee je als professional of organisatie wordt geconfronteerd, worden steeds complexer. Er moeten steeds meer (en sneller) keuzes worden gemaakt en de betrokkenen worden steeds kritischer en zijn ook vaker goed geïnformeerd. Mathieu Weggeman maakt onderscheid tussen routinematig werkende professionals en improviserende of innoverende professionals. Ik vermoed dat handelingsverlegenheid vooral voorkomt in de categorie R-Prof.

bron: Leidinggeven aan professionals? Niet Doen!

Erkennen van de handelingsverlegenheid is een startpunt voor het uitbreiden van je competenties; het in samenwerking met andere professionals zoeken naar een ‘doorbreker’ en/of het inschakelen van collega’s / externen met complementaire competenties (I-Profs?). Werkt dat allemaal niet, dan rest er nog maar één ding: uit de situatie stappen. Dat laatste is makkelijker gezegd dan gedaan, want over het algemeen zal er een (zakelijke) relatie bestaan met een lange historie. In ICT terminologie: er is sprake van een deadlock.

Wet van Ashby

Koninginnedag heb ik voornamelijk besteed met lezen: ‘Maak er wat van!‘ van Joep Schrijvers (met als subtitel ‘vindingrijk in lastige situaties’). Heerlijk in onze tuin in het zonnetje.

Joep begint met de definitie van een ‘lastige situatie’. Daarbij komt de wet van Ashby ter sprake. Deze was nieuw voor mij. Ashby’s law of requisite variety geeft mij wel een nieuw handvat om de wereld om mij heen beter te leren begrijpen. Ashby was een psychiater en pionier op het gebied van systeemleer. De wet stelt dat een systeem, om te kunnen voortbestaan, over evenveel (of meer) variatiemogelijkheden moet beschikken dan de variatie waarmee dat systeem te maken heeft. In mijn eigen woorden: je moet een (handelings)repertoire hebben dat past bij de complexiteit van je omgeving. Bij ‘je’ hoef je niet alleen een persoon te denken. Het kan ook een organisatie zijn.

Als je repertoire te beperkt is – of is geworden als gevolg van een verandering (lees vergroting van de variatie) van je omgeving – dan kom je terecht in een ‘lastige situatie’. Je komt op een kantelpunt en moet actie ondernemen. In principe zijn er dan twee dingen die je kunt doen: de zaak vereenvoudigen (de variatie die binnenkomt vanuit je omgeving verkleinen) of je eigen variatie (repertoire) vergroten. Het laatste betekent dat je moet leren.

Terwijl deze blog rijpte in mijn gedachten, las ik in de trein op weg naar mijn werk (met de combinatie van trein en vouwfiets kan ik tot op heden nog steeds alle variaties van gewenste verplaatsingen in Nederland aan) het volgende berichtje: hoe ga je om met mobieltje op school? De omgeving is veranderd en je herkent de lastige situatie waarin je terecht komt, omdat het huidige repertoire daar (nog) geen antwoord op heeft. Het artikel noemt ook één van de beide reacties: de zaak versimpelen door de variatie vanuit de omgeving te verkleinen = mobieltje verbieden. De andere oplossing wordt niet met name genoemd, maar is wel af te leiden uit ‘gebrek aan kennis’ = je kennis en daarmee je repertoire vergroten.

Ik denk dat de ondergang van Kodak een voorbeeld is van een bedrijf dat de wet van Ashby niet begrepen heeft.
Het is net jongleren: je vaardigheden bepalen hoeveel ballen je in de lucht kunt houden.

P.s. er was één uitzondering waarbij de combinatie trein en vouwfiets tekort schoot: ik moest vier dozen (folder)materiaal meenemen naar een klant. Ik heb toen eenmalig een huurauto toegevoegd aan mijn variatie 🙂